a MeteoGroup Company
title
 

Dinsdag 13 januari 2004 : Westcirculatie: de zeer zware storm van 25 januari 1990
Het weer in Nederland wordt op dit moment volledig beheerst door een vrij sterke westcirculatie, boven de oceaan en ook boven het westen van Europa. Een westcirculatie die er de oorzaak van is dat van winterweer bijn ons voorlopig (vrijwel) geen sprake kan zijn. En dat het voorlopig sterk wisselvallig blijft. Vanochtend beleefden we daar nog een mooi voorbeeld van toen een zeer actieve buienlijn met zware regenval, hagel en windstoten over het noorden en het midden van het land trok. Later deze week zal meer regen volgen.

De westcirculatie van nu vertoont ook wel enige gelijkenis met het stromingspatroon dat de winter van 1990 zo kenmerkte. Die winter werd niet alleen door erg zachte omstandigheden, maar vooral ook door stormen gedomineerd. Met name in de maanden januari en februari was het toen meerdere malen raak. De zwaarste van de stormen in 1990 deed zich op donderdag 25 januari voor, binnenkort dus alweer 14 jaar geleden. Het was een storm die zich al enkele dagen tevoren aankondigde. Maar waarvan de dag ervoor en deels zelfs ook de dag zelf pas duidelijk zou worden hoe zwaar hij uit zou pakken. Een terugblik op wat een sterke westcirculatie vermag, als het allemaal even tegenzit, met daarbij de aantekening dat het hierbij wel om een heel extreem geval ging.


De buienlijn die vanochtend over Nederland naar het oosten trok. Op veel plaatsen regende het zwaar en hagelde het.
De buienlijn die vanochtend over Nederland naar het oosten trok. Op veel plaatsen regende het zwaar en hagelde het.

Zoals al aangegeven, leek de luchtdrukverdeling, die aan de storm van 25 januari 1990 voorafging, wel enigszins op die waar we nu mee te maken hebben. Op de weerkaarten lag bij IJsland een sterk moederlaag, met een kerndruk van minder dan 960 hPa. Zuid hiervan had zich boven de oceaan een langgerekte westcirculatie ingesteld, die globaal dezelfde baan volgde als die waar we nu mee te maken hebben. Wel was de kracht van de straalstroom toen nog een stuk groter dan die van de westcirculatie die we nu op de weerkaarten zien. Kijken we overigens naar het vervolg van de winter toen, dan doet dit het ergste vrezen voor de winterliefhebbers die nog iets van de huidige winter verwachten, maar dit is even een zijspoor.

Vroeg in de ochtend van de 24ste januari 1990 ontstond in de buurt van de Canadese oostkust een klein lagedrukgebiedje dat in hoog tempo richting Europa begon te koersen. De positie die het laagje innam ten opzichte van de sterke straalstroom boven zijn hoofd bleek uitermate gunstig voor een snelle ontwikkeling. Een dag later, toen het laag al in de buurt van de zuidkust van Ierland arriveerde, was de luchtdruk in de kern dan ook al tot beneden 980 hPa gedaald. Op dat moment konden we van een volwassen en sneltrekkend systeem spreken dat aan zijn zuidflank een flinke hoeveelheid warme lucht meebracht. De positie ten opzichte van de onverminderd sterke straalstroom bleef strategisch en de voorwaarden voor een verdere (explosieve) ontwikkeling nabij Nederland waren vrijwel ideaal. Op zijn tocht naar de centrale Noordzee diepte het laag dan ook zeer snel uit totdat de kerndruk in de buurt van 950 hPa uitkwam. Toen was het wat de wind betreft in Nederland al helemaal mis.

In de tijd dat de storm op Nederland afkwam was ik zelf als beginnend journalist bij de Amersfoortse Courant/Veluws Dagblad gestationeerd op de streekredactie in Harderwijk en daar belast met de verslaggeving van de gemeente Nunspeet. Maar het weer speelde ook toen al een belangrijke rol. Zo verzorgde ik iedere dag, tussen de middag en via de telefoon live een weerpraatje voor Radio Nunspeet. En om een lang verhaal kort te maken: ook ik wist dus dat de storm eraan kwam. Het kriebelde al een dagje. Dat werd erger toen het KNMI, de avond van de 24ste in de verwachtingen voor de volgende dag over een windkracht 10 begon te spreken. De ochtend van 25ste was er in de verwachtingen zelfs sprake van windkracht 11. Aan zee weliswaar en pas voor later op de dag, maar mijn onrust was definitief gewekt. Een memorabele dag kon beginnen.


De dag na de storm logen de krantenkoppen er niet om.
De dag na de storm logen de krantenkoppen er niet om.

Mijn programma die bewuste donderdag bestond uit het in de ochtenduren bijstand verlenen aan de eindredactie. Helpen bij het in elkaar zetten van de krant dus, bij het lezen en redigeren van de verhalen en daarna het maken van een passende kop. In de middag zou ik vrij hebben, de avond was ingeruimd voor het bijwonen van de gemeenteraadsvergadering in Nunspeet. Een belangrijk moment tijdens de werkdag was altijd de planning. Rond 12 uur werden de op de redactie aanwezige journalisten bij de tafel van de chef geroepen. In het korte overleg dat dan volgde, vertelde iedereen wat hij of zij voor de krant van de volgend dag van plan was te doen. Ikzelf bracht toen de op handen zijnde storm in. Eerst werd er nog wat lacherig gereageerd. Maar nadat ik mijn verhaal had gedaan, werd toch besloten om alle fotografen in elk geval op stand-by te zetten.

Het regende buiten, het koufront zat er aan te komen. Ook al was ik nog geen volleerd meteoroloog, toch wist ik dat de eerste wind zich op de koufrontpassage voor zou doen. Daarna zou het even wat rustiger worden, om vervolgens in de tweede helft van de middag helemaal los te gaan. Omdat ik een aantal uren vrij had, ging ik even naar huis. Het koufront passeerde met kortdurende, maar heftige regenval. Verder trok de wind een eerste keer fel aan. Zo fel dat hier en daar al schade werd aangericht. Maar het was nog niet het begin van de storm. En omdat die nog moest komen en mijn toenmalige woonplaats Garderen door bossen omgeven is, besloot ik eerder naar Harderwijk terug te keren. Voor het geval dat. Verder leek het me mooi om, aan de rand van het water, het Wolderwijd de storm op te wachten. Daar zou het immers veel harder waaien dan in het verscholen gelegen Garderen.

Het bleef relatief lange tijd rustig. Een Harderwijkse fotograaf belde naar de redactie. Hij vertelde dat hij een foto had gemaakt van een tijdens de koufrontpassage omgewaaide verkeerslichteninstallatie. En voegde daaraan toe dat hij, omdat de wind niet meer zo sterk was, ervan uitging dat hij niet langer stand-by hoefde te blijven. Ik antwoordde dat de storm nog zou komen. De nog op de redactie aanwezige collega’s vonden het allemaal wel vermakelijk. Ze voelden de onrust, maar geloofden niet echt dat er nog wat zou komen. En ook ik begon steeds meer mijn twijfels te krijgen. Rond half 4 in de middag leek de wind eindelijk weer wat aan te trekken. In elk geval genoeg om de jas te pakken en de korte wandeling naar wat ook in Harderwijk de Boulevard heet te maken. Wat daar vervolgens gebeurde, is ook nu nog steeds een van mijn meest indrukwekkende weerherinneringen.


Storm aan zee. Het blijft een indrukwekkend gezicht.
Storm aan zee. Het blijft een indrukwekkend gezicht.

Toen ik de Boulevard bereikte, dreven vanuit het westen een paar kleine buitjes binnen. Bij de Harderwijkse Boulevard bevonden zich toen het Veluwestrand en (ook nu nog altijd) het Dolfinarium. Beide recreatieparken zijn gevestigd op een terrein dat wat verder het Wolderwijd in steekt. De kade maakt daar een bocht richting de stad en gaat, na weer een bocht terug, naar het westen verder. Tussen de stad, daar begrensd door de eeuwenoude stadsmuur met van die grote steunberen, en het water bevindt zich een groot parkeerterrein. Het waaide er al behoorlijk. Vrijwel meteen werd mijn aandacht getrokken door iets vreemds dat op de achtergrond zichtbaar was en snel dichterbij kwam. Bij nader inzien bleek het een muur van stuifwater te zijn die, in de verte en vanuit het westen over het Wolderwijd met hoge snelheid op Harderwijk afstormde. Ik wachtte niet, zette het op een lopen en zocht dekking achter een van de steunberen van de stadsmuur. Enkele seconden later bereikte de storm met een ongekende kracht ook Harderwijk. Het lawaai van de wind was enorm. Mensen die nog wel op de kade waren blijven staan, werden omver geblazen en zochten, zo goed en zo kwaad als dat ging, alsnog een veilig heenkomen. Overal klonk glasgerinkel. Glazen wanden rond de terrassen op de Boulevard, die de gasten in de zomer tegen de van het water binnenkomende wind moesten beschermen, waar hiertegen niet bestand en werden weggeblazen alsof het niets was. Dakkapellen gingen van de daken, het regende werkelijk dakpannen en de eerste bomen bezweken onder de druk van de beukende wind. Zo plotseling als de storm gekomen was, zo hard zou het vervolgens urenlang doorgaan. Het leek alsof Harderwijk stukje bij beetje zou worden afgebroken.

Toen na verloop van tijd bleek dat de wind niet meer zou afnemen, ben ik (rennend van steunbeer naar steunbeer) toch maar naar de stad teruggegaan. In de straten was het, vanwege de dakpannenregen en de inmiddels overal loshangende delen van huizen, eigenlijk te gevaarlijk om te lopen. Maar er zat niets anders op. Het aanzicht van het anders zo rustige Wolderwijd was er een om nooit te vergeten. Het leek alsof de al lang getemde Zuiderzee weer even in Harderwijk terug was. Woest beukten de golven op de Boulevard. En in de bocht van de kade, waar ze in een soort kom werden samengedreven, sloegen ze over de straat. Het stuifwater dat onophoudelijk door de wind de stad werd ingeblazen maakte het er tegelijkertijd niet aangenamer op. Door een met puin bezaaide straat ben ik naar de redactie teruggelopen. Daar aangekomen, bleek nog één collega aanwezig. Maar ook die maakte weldra aanstalten om naar huis te gaan. Ik bleef alleen over.

Terug naar huis rijden, was geen optie. Dat zou veel te gevaarlijk zijn. Enige tijd later bleek dat het sowieso ook niet gekund had. Want al vrij snel moesten alle toegangswegen naar Garderen afgesloten worden, omdat er teveel omgewaaide bomen overheen lagen. En ook de rit naar Nunspeet, waar de gemeenteraadsvergadering nog wachtte, kon mij niet bekoren. Er zat niets anders op dan het einde van de storm op de redactie af te wachten. Des te groter was de verrassing toen mijn chef, die zelf in Nunspeet woonde, ineens wel weer de redactieruimte binnenstapte. Ondanks het noodweer, had hij het aangedurfd om de rit naar Harderwijk te maken. Via de snelweg, dat wel. Het duurde stukken langer dan normaal, maar lukte wel. Ik was er alleen maar blij mee.


De Veluwe lag middenin de baan van het zwaarste deel van de storm. Dat was een dag later goed te zien.
De Veluwe lag middenin de baan van het zwaarste deel van de storm. Dat was een dag later goed te zien.

Er volgde een onwerkelijke avond. Terwijl de storm er alles aan deed om het redactielokaal (dat nu en dan vervaarlijk in zijn voegen kraakte) onderuit te halen, probeerden wij zo goed en zo kwaad als het ging een overzicht van de door de storm aangerichte schade te maken. Mijn chef beluisterde de raadsvergadering in Nunspeet via de lokale radio en hoorde dat de raadsleden het niet langer dan drie kwartier volhielden. Snel terug naar huis maar weer, was hun devies. Ik belde intussen in het rond.

Het beeld zag er tamelijk rampzalig uit. Al heel snel bleek het openbare leven, niet alleen in onze regio maar ook in de rest van Nederland, helemaal tot stilstand te komen. De avondspits liep door de storm volkomen in het honderd. Vele duizenden mensen strandden in het verkeer of op stations, want ook het treinverkeer werd stilgelegd. De meesten van hen konden die dag niet meer naar huis en moesten elders de nacht doorbrengen. In Rotterdam richtte de NS op het station een speciale slaaptrein in om gestrande reizigers aan een slaapplaats voor de nacht te helpen. De volgende ochtend werden zij door NS-personeel met koffie gewekt. Op Schiphol was vliegverkeer niet meer mogelijk. Ik belde Radio Nunspeet voor een extra weerpraatje. Later in de avond zouden er nog vele volgen. De lokale zender besloot de programmering om te gooien en was tot laat in de avond met een stormprogramma in de lucht. Tussen de stroom- en de telefoonstoringen door probeerden we zoveel mogelijk informatie te verzamelen om de verhalen voor de volgende dag alvast in de steigers te zetten. Het duurde niet lang of we waren de weg in de wereld van de omvergeblazen mensen, omgewaaide bomen, afgewaaide dakkapellen, weggevlogen dakpannen, ingewaaide ramen en op andere manieren tot stand gekomen beschadigingen helemaal kwijt. Het was teveel om in die korte tijd te verwerken.

Na een uur of negen ’s avonds nam de storm geleidelijk af. We hielden het voor gezien. Mijn chef ging naar huis en ik kon niet anders dan met hem mee. Garderen was immers onbereikbaar. Voordat we in Nunspeet aankwamen, zijn we nog in een van de bossen gaan kijken hoe groot de schade daar was. Het zag er niet best uit. Maar eigenlijk hadden we ook niet anders verwacht. De volgende dag konden, we dankzij de voorbereidingen van de avond ervoor, groots uitpakken met de gevolgen van de storm. De fotografen hadden hun werk gedaan. De journalisten deden in de paar ochtenduren die nog restten voor de productie van de krant de rest. Vijf pagina’s storm vielen uiteindelijk bij de abonnee’s aan het einde van de middag op de mat. Met het complete verhaal, in woord en beeld.

Volgens het KNMI is de storm van 25 januari 1990 een van de ergste in zeker honderd jaar tijd geweest en de zwaarste in zeker een kwart eeuw. Zeventien mensen verloren het leven, een veelvoud van dit aantal raakte gewond. De schade aan huizen en materieel, maar ook de natuur was enorm. De storm staat (als naar de hoogste uurgemiddelden van de Nederlandse hoofdstations wordt gekeken) bovenaan de lijst met zware stormen vanaf 1970. Nog voor de novemberstorm uit 1972 en de aprilstorm uit 1973 dus, die beide ook enorme schade aanrichtten in bosgebieden in onder meer Drenthe en op de Veluwe. Er waaiden toen miljoenen bomen om. En ook vóór de befaamde januaristorm uit 1976. De storm van 27 oktober 2002, de meest recente zware storm die Nederland heeft gehad, bezet op dit lijstje een zesde plaats. Ruim achter de storm van 25 januari 1990 dus.


Veel bomen waren op 25 januari niet bestand tegen het geweld van de storm. Deze foto is uiteraard van later datum.
Veel bomen waren op 25 januari niet bestand tegen het geweld van de storm. Deze foto is uiteraard van later datum.

Heel opmerkelijk aan de storm van 25 januari 1990 was volgens het KNMI de windkracht die landinwaarts werd gemeten. In de provincies Zeeland, Zuid-Holland en ook Utrecht (!) werden uurgemiddelden van windkracht 10 gemeten. Iets dergelijks is een zeldzaamheid boven land. De provincie Utrecht beleeft statistisch gezien slechts eenmaal per zeventig jaar een zo hoge windkracht. Dat wil overigens niet zeggen dat een vergelijkbare storm ook al niet eerder weer zou kunnen optreden. IJmuiden registreerde gedurende minstens een uur een windkracht 11, een zeer zware storm met windsnelheden tussen 103 en 117 km/h. Ronduit uniek waren de windstoten van 150 kilometer per uur op verschillende plaatsen, tot die van 161 kilometer per uur op de windmeter van Schiphol. Dergelijke windstoten behoren tot de hoogst mogelijke in ons land. De zwaarste windstoot ooit tijdens een storm gemeten staat nog steeds op naam van Hoek van Holland waar de wind op 6 november 1921 tot 162 kilometer per uur uitschoot. Bij de storm van 25 januari 1990 leek het er overigens op dat het zwaarste windveld over het midden van het land trok. In het noorden, maar ook in het zuiden bleek de schade van de storm naderhand toch duidelijk minder groot te zijn.

En nu is het maar afwachten wanneer ons land opnieuw door een dergelijke zware storm zal worden getroffen. Onderzoek van het KNMI heeft uitgewezen dat er in de 20ste weinig is veranderd in de kracht van en het aantal stormen dat is opgetreden. De herhalingstijd van hele zware stormen is echter soms zo lang dat het wel verleidelijk is om iedere zware storm weer als een unicum te zien, zo stelt het KNMI. Verder denkt het meteorologische instituut dat, bij een onregelmatig optredend verschijnsel als zware stormen, klimaatsveranderingen niet snel merkbaar zijn. En hoewel zware zeer grillig in de tijd zijn verdeeld, kunnen de atmosferische omstandigheden soms wel zodanig zijn dat stormen elkaar opeens met hele korte tussenpozen opvolgen. In 1990 was dat niet anders. Want de zware storm van 25 januari werd op 26 februari al door een vrijwel even zware storm gevolgd. Het jaar 1990 was sowieso het jaar van de stormen. In 1928 volgden er drie stormen in één week. In december 1954 zat er tussen twee opeenvolgende stormen maar 2 dagen, net als eind 99 en (heel laat) in mei 2000. Men spreekt in dit verband ook wel van zogenoemde tweelingstormen. Of het er deze winter nog van komt, nu de westcirculatie er weer ouderwets op losbeukt, zullen we komende tijd zien.

Reinout van den Born.


Bron: AC/VD, KNMI, Meteo Consult